Kader Abdolah (1954) kwam als politiek vluchteling naar Nederland in 1988, na jaren van ondergrondse oppositie tegen het regime in Iran. Zijn eerste maanden bracht hij door in een asielzoekerscentrum in Apeldoorn, waar hij Nederlands leerde via kinderboeken en poëzie. Die periode vormde de basis voor zijn latere schrijverschap en zijn unieke vermogen om Perzische verhalen te verweven met Nederlandse taal en cultuur. Abdolah’s werk, waaronder het internationaal bejubelde Het huis van de moskee, reflecteert het leven onder autoritair bewind, de strijd om vrijheid en de veerkracht van gewone mensen.
Sholeh Rezazadeh (1989) kwam bijna drie decennia later naar Nederland, maar uit heel andere overwegingen: zij vertrok voor de liefde, niet uit noodzaak of politieke vervolging. Haar werk, waaronder De hemel is altijd paars en Ik ken een berg die op me wacht, onderzoekt de ervaring van migratie vanuit een vrijwillige keuze. Taal, identiteit, herinnering en de relatie met het landschap van Iran spelen hierin een centrale rol. Rezazadeh toont dat ook vrijwillige migratie gepaard gaat met verlies en gemis, en dat thuiskomen in een nieuwe cultuur een langzaam proces van heruitvinden is. Haar poëziedebuut Neem ruim, zei de zee laat zien hoe stilte, ruimte en de natuur fungeren als spiegel voor dit innerlijke proces.
Het contrast tussen de schrijvers is opvallend en leerzaam: Abdolah’s ervaring van gedwongen vertrek en politieke onderdrukking tegenover Rezazadeh’s bewuste migratiekeuze toont hoe generaties van Iraniërs verschillende vormen van aankomst en integratie beleven. Hun verhalen raken aan thema’s van migratie, vrijheid, taal, identiteit en geheugen, en laten zien hoe historische omstandigheden en persoonlijke keuzes samenkomen in literaire expressie.




.jpg?height=430&width=500&ranchor=center&scale=both)

