Poëzie op maandag (8 juni)

Vandaag het tweede deel van het gedicht over mevrouw Verweerd uit het grappige voorleesboek Aan de kant, ik ben je oma niet! van Bette Westera. In dit boek vertelt ze over de bewoners van een verzorgingstehuis, die - en dat vergeten kinderen nog weleens - ook ooit jong zijn geweest en een heel leven achter zich hebben. De bewoners worden in twee verzen geportretteerd: één over hoe hij of zij vroeger was en één over nu. Duidelijk wordt dat ze allemaal zo hun eigenaardigheden hebben, want een vos verliest misschien wel zijn haren, maar niet zijn streken. Zo slaapt meneer Van Dam, die vroeger dakloos was, niet in zijn bed maar tussen de violen. En mevrouw De Vries haalt gevaarlijke capriolen uit op de ladder omdat ze vroeger acrobate was.

 

De vorige keer deelden we het eerste deel van het gedicht over mevrouw Verweerd waarin vooral haar leven in verzorgingstehuis centraal stond; in dit tweede deel gaat het erover hoe haar leven eruit zag voordat ze in het verzorgingstehuis kwam wonen. Sylvia Weve maakte de illustraties in dit boek en haar werk is al vele malen bekroond, onder andere met een Gouden Penseel.

Mevrouw Verweerd – Ik ben je oma niet | Bette Westera

Ze werkte op het postkantoor en droomde van haar trouwdag.

En van een witte bruidsjapon en van een groot gezin.

Ze werd verliefd op Kees Verweerd. Ze schreef hem: Toen ik jou zag

wist ik meteen: jij wordt mijn man. Dit is een nieuw begin.

 

Ze wilde zeven kinderen, drie jongens en vier meisjes,

met wie ze op vakantie leuke dingen zou gaan doen.

Ze maakte in gedachten tal van buitenlandse reisjes.

‘Vooruit dan maar,’ zei Kees Verweerd en gaf zijn vrouw een zoen.

 

Ze vrijden elke zondag, maar Olivia werd niet zwanger.

Niet na een maand of zeven, acht en ook niet na een jaar.

‘Geduldig zijn,’ zei Kees. ‘Het duurt bij ons gewoon wat langer.’

Ze moesten vaker vrijen en dat vond hij geen bezwaar.

 

Dus vrijden ze een half jaar lang op zondag en op vrijdag.

Maar welke dag ze ook probeerden, zwanger werd ze niet.

‘We weten niet,’ zei Kees, ‘of het aan haar lag of aan mij lag.

Dat doet er weinig toe. Het maakt niet uit voor het verdriet.’

 

Ze waren veertig jaar getrouwd toen Kees is overleden.

Olivia’s vriendinnen werden oma, allemaal.

Ze lieten foto’s zien van baby’s op gekleurde kleden,

met hemdjes van de Hema aan, en altijd even kaal.

 

Ze spraken over luiers, over krampjes, over flesjes,

ze kochten kleine kleertjes en ze pasten ’s ochtends op.

Ze breiden wollen sokjes en ontzettend kleine vestjes.

Olivia kwam niet meer langs. Ze zag er tegenop

 

om steeds weer over Freek, die nog niet liep, te moeten praten.

Of over Liselotje, die al oma zeggen kon.

Ze hoorde er niet bij, dat had ze heus wel in de gaten.

Ze zat het liefst te lezen in de stoel op haar balkon.

 

Ze kon niet meer lopen, want haar heup was erg versleten.

Ze kreeg een scootmobiel van de gemeente, dat was fijn.

Nu kon ze zelf weer groente halen voor het avondeten.

Het was een handig ding, ze mocht er zelfs mee in de trein.

 

Ze schaakte met de buurman. Of alleen, op de computer.

Ze had het naar haar zin, ze was gewend aan het verdriet.

Maar als op straat een jongen zei: ‘Hé oma, mooie scooter!’,

dan riep ze knorrig: ‘Aan de kant, ik ben je oma niet.’