Mooi Nederland Apeldoorn
Stadsdichter Willem Bierman werd geïnspireerd tot het gedicht Mooi Nederland Apeldoorn, nu de cultuur van Apeldoorn sinds april 2011 ook op postzegelformaat te zien is.
Dit gedicht is voorgedragen tijdens de Politieke Markt op woensdag 25 mei.
Voorafgaand aan de voordracht werden de volgende woorden gesproken om uiting te geven aan de grote zorgen om de bezuinigingen op cultuur.
"Cultuur op postzegelformaat
Haarlem, Middelburg, Maastricht, Arnhem, Leeuwarden, Eindhoven, Breda, Almere hebben het en sinds een paar maanden ook Apeldoorn. Eigen Postzegels. Welke stad wil nu niet laten zien hoe mooi zijn natuur is, hoe prachtig zijn gebouwen zijn. Al is het maar op postzegelformaat. Apeldoorn is trots op zijn culturele instellingen. Maar hoe lang nog? Wie op het velletje postzegels kijkt, moet er een vergrootglas bij hebben om de cultuur in beeld te krijgen. Is dat symbolisch voor de positie waarin wij ons bevinden? De postzegels zitten goed in het vel. Het kan toch niet gebeuren dat de culturele instellingen van Apeldoorn worden gedecimeerd tot postzegelformaat?"
MOOI NEDERLAND APELDOORN
Geborgen in een reeks zitten we goed in het vel, zijn we
waarneembaar en tellen we mee, petite histoire slechts
nu we bestaan op postzegelformaat
Paleis Het Loo, Plantsoen Welgelegen, bakens te land
maar er is meer op dat vel in die volte die veelheid
dat al in de oksel van A1 en A50
Scheur uit die hap lik plak op een kaart een brief, verklaar
de liefde vertel het oude verhaal van weidsheid, rust
en groen, stuur een gedicht met de smaak van morgen
Spaar je postzegels, dan zit je dubbel gebakken
Willem Bierman
Nocturne
Het Achterom
Er is een woord dat ooit een gedicht in moest. Lambrisering,
daar heb je het al. Eén stap binnen en het ossenbloed kruipt
waar het gaan kan. Dankbaar slachtoffer voor proeflokaal.
Diep wijnrood, belegen bordeaux. Beschutkleur nu ook
van de schilders aan de muren, hun werk is gebleven.
Als alles voorbij ging, waarom was het er dan geweest?
De tuin, adembenemend besloten. Hortus conclusus,
thuishaven van Maria. Van een notenboom hier. Zet er
een paard naast en nog een woord met lucht van vroeger
schrijft zichzelf: stalhouderij.
Hoe de dichter daar zit in zijn schaduw, glas voor de neus,
waas om het hoofd. De grenzen van een stadsbrouwerij zijn
moeilijk te trekken, zegt hij, laten we er een passeren.
Geloof hem niet op zijn woord, vaar blind op zijn woorden.
Cultuurkwartier met tango
De vraag aan Stadsdichter Willem Bierman was om een gedicht te schrijven over de binnenstad van Apeldoorn. Zijn ‘antwoord’ is dit gedicht over het Cultuurkwartier.
CULTUURKWARTIER MET TANGO
Over het dak van het museum rukken edelherten op,
tong uit de bek, smaakpapillen op scherp.
Joechei, het cultuurkwartier is begonnen.
In het Beekpark fluiten merels onzichtbaar
hoog in de bomen de uren vol, steels
gadegeslagen door stadsreiger en plintuil
elk op zijn eigen vinkentouw. Verrek, jij ook hier?
Het uur van de wolf is nog lang niet om maar
het spreeuwenconcert in de linde is ten einde.
De eerste zwerfhond zoekt vergeefs een mand,
een kat miskent achteloos een bakkie.
Verder de nacht uit dansen jager en hert
(denk aan m'n goeie hoeven, Gerrit)
een tango met eeuwigheidswaarde.
Het gaat goed jongens, maar blijven oefenen hè!
Zang op koud papier
Het nieuwste stadsgedicht van Willem Bierman heeft als thema ‘papier’. Een thema dat bij uitstek bij Apeldoorn als ‘papierstad’ past. De Holland Papier Biënnale in CODA Museum is de directe aanleiding voor het schrijven van Zang op koud papier.
ZANG OP KOUD PAPIER
Het water was schoon, er werden sprengen gegraven.
De aarde zette poriën open, ze huilde van plezier.
Papiermolens verrezen, papiermakers maakten
een leven lang papier, waarna ze stierven, hier.
Neem 1805. Onder de mannen die werden begraven
waren kleermakers, karmannen, kuipers, en een paar
met iets te mooie namen voor wat ze deden: custos,
palfrenier. Er waren ook papiermakers bij, vier.
Tot het de eeuw werd van fabrieken die molens
vervingen. Wat sneller kon moest snel. Ze kwamen
om uiteindelijk weer te verdwijnen, schele gevoelens
achterlatend en een fotografendecor. Men wist: over
enige jaren zou geen papiermaker meer sterven, hier.
17 april 1945 en later
Willem Bierman, de poëtisch ambassadeur van de stad Apeldoorn, heeft als eerbetoon aan de Canadese bevrijders het gedicht ‘17 april 1945 en later’ geschreven.
Op 17 april 2010 is het 65 jaar geleden dat Apeldoorn bevrijd is. Nog één keer komen Canadese veteranen naar Apeldoorn om deze bevrijding samen met de inwoners van Apeldoorn te vieren.
Hoogtepunten van de feestelijke herdenkingsactiviteiten zijn de Nationale Street Parade van veteranen en het Liberation Festival in Omnisport Apeldoorn op zondag 9 mei. Net als vijf en tien jaar geleden is de optocht van Canadese en geallieerde veteranen een indrukwekkend hoogtepunt van de bevrijdingsviering. Als eerbetoon ontvangen de veteranen op ansichtkaart het onderstaande gedicht van de Stadsdichter van Apeldoorn, Willem Bierman.
17 APRIL 1945 EN LATER
Het zijn opgeluchte gezichten langs de kanten.
Dankbaar gezwaai, ook vlaggen doen waarvoor
ze gehangen zijn. Canadese tanks rijden kalm
richting Hoofdstraat, gewichtloos haast. Dit zijn
geen soldaten, zo zien bevrijders eruit. En dit is
geen oorlog. De dood is geweest of iets voor later.
Het is een jonge vrouw wier hand het hoogst reikt,
haar lach treft de soldaat met alleen oog voor haar.
It's a beautiful day, the sky is so big, zegt ze
en het lijkt dat ze zingt.
Het is zijn uitgestoken hand waar heel wat van haar
in zou passen, ze weet wel een steegje in de buurt.
Maar er komt nóg een tank en nóg een met mannen
met ogen en handen om te onthouden.
Het is vijfenzestig jaar later, het weten is erbij
ingeschoten. We'll meet again, zegt ze en het lijkt
niet op zingen. We'll meet again, zegt ze maar
het zwijgen is luider. Het is nooit meer bevrijding.
Willem Bierman
De Engelse versie:
17 APRIL 1945 AND BEYOND
These are relieved faces along the road.
Grateful waving, flags too, purposefully hanging. Canadian tanks
calmly moving towards Highstreet, almost weightless. These are
no soldiers, this is what liberators look like. And this is
no war. Death is past or is for future times.
It is a young woman's hand reaching highest,
her laugh is caught by the soldier with eyes only for her.
It's a beautiful day, the sky is so big, says she
and she seems to be singing.
His hand reaching out to her could encompass quite
a lot of her, she knows an alley around here.
But another tank is coming and yet another manned
with eyes and hands to remember.
Sixty-five years on and insight
has been lost. We'll meet again, she says and it does
not sound like singing. We'll meet again, she says but the
silence is louder. Liberation will never be.
Willem Bierman
(vertaald door Ceciel Latooij)
Jong lezen met Varagids
Willem Bierman beschrijft in het kader van de Boekenweek zijn literaire jeugdervaringen in het eerste Stadsgedicht van 2010.
JONG LEZEN MET VARAGIDS
Je hebt de Sprengenparkschool, je leert er lezen. En
je hebt de Donald Duck, de Varagids. Die is er voor
de radio, de tv staat bij de buren. Nieuwsberichten,
commentaren. Mededelingen voor land- en tuinbouw.
Hoorspelen ook. Rolverdeling wordt holbedeling
of revolverding, je weet niet wat het is, je leest het.
Concours hippique, staat er. Hippiké zeg je,
er lijkt zowaar een woord Frans bij te zijn.
Kun je toch maar mooi zolang correctie uitblijft.
Dat is wat ik me herinner. Nu wat ik zie. Wat ik zie
is een school. Mijn school, maar het is mijn school niet.
Dan wat ik lees. Ik lees: bijna alle dingen winnen
na verloop van tijd aan status. Behalve mijn school,
die mijn school niet meer is. Ik zie haar ook niet.
Maar dat zeg ik niet, ik ben volwassen, een man
die teruggroeit naar zijn jeugd.
Ik hoor mijn moeder roepen voor het eten,
ik hoor haar niet.
Requiem voor een ziekenhuis
Stadsdichter Willem Bierman heeft veel herinneringen aan het nu niet meer bestaande Julianaziekenhuis.
Voor hem reden zijn gedachten onder woorden te brengen in:
Requiem voor een ziekenhuis
Ik heb het gezien, zalen geleegd, kamers ontruimd
balies ontkaart, toiletten ontdaan van geklater
nog één keer dat wegkijken dan bij naald in arm
Wat ik er niet heb achtergelaten, naast bloed en tranen:
ontstoken amandelen, gebroken benen, blinde darmen,
zwakke netvliezen, korsten brood, resten banaan
Vloeren grijnzen na om wat ze zagen als ze keken
kaal en leeg en hol nu, het is hier gebeurd
langs een gapende portier snak ik naar buiten
hij zal het licht achter mij uitdoen
Het Juliana
vleesgeworden leegbouw
schitterend in de zon
je kunt er niet meer geboren worden
je kunt er niet meer doodgaan
O jammere geruststelling
De vogels van dok Zuid
Ter gelegenheid van de opening van dok Zuid schreef Apeldoorns stadsdichter Willem Bierman het volgende stadsgedicht:
DE VOGELS VAN DOK ZUID
Met de vogels in het Zuiderpark begin ik meestal
wel een praatje, maar nu spraken ze mij aan
het zat ze hoog, zoiets hadden ze nog nooit gezien
zo’n reusachtige kuil gegraven voor een ander
Ik vertelde van ontmoeten en van samenwerken
van gezondheid, van cultuur, van leren en van taal
ik ging geen cliché uit de weg en dat dat gat
de basis was van hoe het allemaal gaan zou later:
kulturhus, probeerde ik, vreemdtalig lijkend
dok, dok, zei ik, zeewaardig kijkend
wat bij gebrek aan schip en water niet echt lukte
Zuid vooruit, kraste een kraai toen hij hoorde
dat de bomen op het schoolplein mochten blijven
Zuid vooruit, hoorde ik alle snavels bekken
het jubelde, het snaterde, het kwinkeleerde
dat het een aard had, clichés namen werkelijk
fantastische vormen aan en zie, daar verhief
de Kayersbeek zich als herboren uit de grond
Ik zei: ik noem jullie vogels van dok Zuid
een merel zei: ik ben een vogel van dok Zuid
zo ook de mussen, eksters, gaaien, kauwen
Tussen die zo diverse pluimage
glom een eendere trots, als pauwen
Toegift
Als 'toegift' schreef de stadsdichter ook:
WAT JE KUNT IN DOK ZUID EN WAT NIET
Je kunt er niet op de trein stappen, geen tros bananen kopen
geen behangetje voor de kamer of de vrouw van de buurman
Wil je servicepunten munten, door brede vleugelscholen
dolen, een goede woning als bekroning, naar binnen bij
jeugd en gezinnen, ja dan - kinderen opvangen kan ook
mits in de kinderboekenhoek in prentenboekenbakken
het best is dat vanuit de cocoonstoel te bekijken
Je kunt er wel wachten op de trein als je dat wilt
maar hij zal niet komen, of lang denken aan bananen
en als de nood het hoogst is, is er altijd wel een mevrouw
met een vooruitziende blik en een badge op haar borst
die doorgeleerd heeft voor uw allerhoogste nood
Je kunt je daar wel wat bij voorstellen
een man bijvoorbeeld die zegt
I’m from Barcelona, ik ben met de trein
heeft u enig idee waar het toilet is?
En nee, je kunt er ook geen handboogschietwedstrijden houden
dan heb je je door de naam Sebastiaan in de luren laten leggen
’s Avonds als het stil is komen de kabouters
die trekken met zijn allen de Kayersbeek
een heel klein beetje verder naar boven
Dat kan mooi weer wel, bij dok Zuid
In plaats van kaarten
Stadsdichter Willem Bierman schreef ter gelegenheid van de Erfgoedweek Apeldoorn 2009 zijn vierde stadsgedicht.
IN PLAATS VAN KAARTEN
Laten we voor het gemak eerst de plaats bepalen
en innemen, daarna snel door naar het erfgoed
Erfgoed, raar woord is dat, wat is het?
Een rijke tante die het beste met je voor heeft
als ze dood is is het niet, dus spreek mij ervan
tot mijn ademloze mond bewaarme prevelt
Over erfgoed sprekend, zwijg mij ervan
een erfgoedweek telt slechts negen dagen
waarin de wijn ons tot de lippen staat
die om zijn voor de mond voorbij gepraat
en alle dagen zijn we van de kaart
doof gebleven voor geklaag van magen
De wijn zal dan veranderd zijn in water
erfgoed geen woord meer zijn voor later
De plaats is voor de duizendste keer
voor het laatst op de kaart gezet, de kaart is vol
boven het weten staat het gissen
laten we haar genadeloos wissen
Niets zo bezienswaardig als een blinde kaart
Wil er nog iemand een stuk slagroomtaart?
pennywafels en kibbeling
pennywafels en kibbeling
Je kon ze zien, ze kwamen zeg maar gerust van heinde
en ver en je wist wat ver was maar hoe ver was heinde?
Kindertekeningtenten vlijden zich om de stad in het groen
geposteerd als koeien tijdens het onweer, met waslijnen
ertussen met handdoeken eraan
Op overladen fietsen of met nog aarzelende auto’s
gekomen staken allen ’s morgens bij de eerste druppels
een slaperige hand uit de enkeldaks of het caravanraam
in de hoop dat de regen die ze voelden minder erg was
dan die ze hoorden toen ze lagen
Op vakantie gaan is thuisblijven elders en natuurlijk
is vader ook hier de man van het gas terwijl de kinderen
nieuwe vriendjes imponeren zolang ze niet over haringen
vallen, is moeder handig met het mes en staat klaar met
pennywafels tegen tranen en pijn
Je kunt ze nog zien, want ze zijn blijven komen
uit windstreken van toen en ze zijn niet veranderd
op auto’s en kleding na, uitpakken kan wachten
eerst zal er geboswandeld worden, die daar zijn zelfs
meteen al aan het botaniseren gegaan
En de dichter maar roepen dat troost slechts bestaat
in het onder ogen zien van de werkelijkheid zoals je
als je geluk hebt misschien ook nog een echte boer
opvallend bedaard melk uit een koe kunt zien halen -
daarna gezellig kibbeling eten in de kantine
DE DAG NA KONINGINNEDAG
DE DAG NA KONINGINNEDAG
Hoorde je in alle vroegte een kinderkoor?
- Was er dan een kinderkoor?
Toonde het Oranjepark ooit meer zijn kleur?
- Was er een oranje park?
Zag je de prinsessen met rokken, met hakken?
Waren de bloemenmeisjes een beetje nerveus?
Verhieven de prinsen zich boven de boomgrens?
Schreef eerder een historische optocht historie?
Een gedenknaald ontdaan
van gegroefde betekenis
en opnieuw gedenknaald geworden
De waanzinnige stilte buiten
als ik luister naar wat ik niet hoor
op herwonnen gazons, in kalende straten
Verjaardagsmuziek, voorjaarsstemmen
glasgerinkel op het buffet
Het feest brak
en iedereen was ongelukkig
DE DAG VOOR KONINGINNEDAG
DE DAG VOOR KONINGINNEDAG
De majesteit belde me op
of ik haar Apeldoorn wilde laten zien
ze kwam de dertigste hier maar dat kon beter
zei ze
vertel mij wat
de dag ervoor, of ik dan kon
spreek maar eens tegen
of ik die brommer nog had met de buddyseat
ik doe wel de spijkerbroek aan, zei ze
het kan gaan waaien bij de onderdanen
We reden
over mijn schouders gaf ik nieuwbouw namen
noemde het weilanden maar anders gevuld
en geen koe meer die ervan weet
zei ik
vertel haar wat
ze neigde naar oude wijken
bonbons van het Ordenplein
vogels in het Zuiderpark
ogen keken als die van indianen
We lachten ons krom door haakse bochten
er kon geen koekhappen meer tegenop
dit was mijn dag, zei ze
bedankt voor de stad die je gegeven hebt
Nu geeft ze een hand zoals ik dacht
dat ze een hand geeft, dacht ik
ze gaf een andere hand
en iedereen was heel gelukkig





